Actief struinen met dood aas | UIT DE OUDE DOOS

08 maart 2016 | Rolf Bouman | Fotografie: Rolf Bouman en Boudewijn Margadant

Zoeken, vinden, drillen; een pleidooi voor de mobiele visserij met één hengel… September 1989; samen met visvriend Tjerk til ik voorzichtig de grote aasketel uit de achterbak van zijn auto. De afspraak is dat wij om de beurt de grote, groene emmer met daarin het bekende, gele mandje gevuld met mooie voorns zullen sjouwen. Aan de rustige vaart in de buurt van Ankeveen tuigen wij de lange anderhalfponds karperhengels op, de spoelen van onze molens zijn gevuld met gewoon nylon, een drijver en een stalen onderlijn met één enkele grote haak maken het af. Tjerk prikt de haak door de neus van zijn voorn, ik net voor de rugvin. Laat het feest beginnen!

 

Dit artikel is een overname uit Dé Roofvis 100.

 

Na lang gesteggel beslist de politiek eind jaren ‘90, in al haar wijsheid, dat er niet meer gevist mag worden met een levend en gewerveld dier als aas. Een vis heeft een wervelkolom en dus is het eensklaps over met de pret. Nooit meer de drijver ‘zenuwachtig’ zien doen doordat de aasvoorn een snoek ziet naderen. Nooit meer die keiharde plop, het wachten tot de snoek de vis draait en dan langzaam wegzwemt. Ik ben er direct helemaal klaar mee. Vissen op snoek met een dode vis als aas is geen optie. Dat werkt toch niet; dat vind ik en velen met mij. Fout!

 

 

Capriolen

Anno 2014. Zo’n beetje iedere vis die in ons Hollands nat rondzwemt, kan op bepaalde momenten op mijn aandacht rekenen. Karperen doe ik graag van mei tot september, voorntjes -vangen en baarzen pielen doe ik het hele jaar door. Snoek belaag ik voornamelijk in de maanden oktober tot en met februari en dan maak ik vrijwel steevast gebruik van kunstaas. De manier waarop vind ik belangrijker dan de uiteindelijke vangst van een vis. Ik heb al eens eerder een vis gevangen en ik hoef me tegenover niemand te bewijzen. De ultieme manier van kunstaasvissen, vind ik toch wel het jerken met een hybride jerkbait. Zo’n apparaat dat helemaal niks doet en pas actie begint te vertonen als je allerlei rare capriolen uithaalt met je hengel en reel. Niet altijd de meest efficiënte manier van vissen, wel ontzettend leuk! Het nadeel van kunstaas is echter dat je toch een beetje de ruimte nodig hebt om te kunnen vissen. Vriest de boel dicht, dan zijn de nog openliggende windwakken net te klein om goed te kunnen ‘kunstazen’. Door de kou zijn de vissen ook nog eens erg traag en de kans dat ze een langs schietend stuk hout proberen te pakken, zal niet groot zijn. Doen ze het wel dan lijken ze vooral in de koude maanden net iets te vaak de plug of jerk te missen. Dus wat te doen?

 

 

Ik ga doodazen!

In mijn ‘visschuurtje’ trek ik na enig zoeken een klein kratje uit een vergeten hoekje. De deksel plakt en ziet zwart van de muizenkeutels. Op de zijkant zit een stuk schilderstape en daarop staat in mijn handschrift: Levend Aas-spullen. En inderdaad, rollen staaldraad, sleeves, wartels, drijvers en dozen vol met grote, enkele haken. Alleen de drijvers pluk ik uit de krat, de rest hoef ik voorlopig niet meer te zien. De plakkerige deksel voorzie ik ruim van allesreiniger en plaats deze in de tuin, zodat de voorspelde natte sneeuw de rest kan doen. Aan de keukentafel smeed ik vervolgens een plan. Ik ga doodazen! De berichten die mij de afgelopen twintig jaar hebben bereikt over vangsten van mooie snoeken op dood aas zijn legio. Ik moet dus mijn mening herzien, klaarblijkelijk houden onze groene rakkers ook wel van een hapje gestorven vis. Een enkele haak of een takel toepassen vind ik geen goed idee.

 

 

De enkele haak zal ongetwijfeld wel eens een vis opleveren, maar het voldoet niet bij een dode vis. Ik wil direct, of na slechts een paar seconden, kunnen aanslaan. Daarvoor zal ik dus met dreggen aan de gang moeten. Of beter gesteld, met één enkele dreg. Bij een extreem grote aasvis kan dat wel eens uitdraaien op ‘misslaan’, maar liever dat, dan dat ik een vis zowat half moet opereren bij een slikker. En daarnaast, ik gebruik gewoon alleen maar kleine voorns tot een centimeter of 18. Een enkele dreg dus op een halve meter staaldraad gemonteerd, gevolgd door een wartel, een schuifloodje en een simpele drijver die ik of schuivend (voor diep water) of eenvoudigweg vast monteer op de lijn. Een kind kan de was doen!

 

 

Op pad!

Voor deze eerste sessie hebben we gekozen voor een plek waar een groot water over gaat in een lange, lommerrijke vaart. Onder een aantal lage, brede bruggen ligt het water nog open en dat is nu juist waar onze drijvers te water zullen gaan. Als ik parkeer en de aasemmer uit de achterbak hijs, krijg ik een déjà vu! De laatste keer dat ik dit deed klotste de aasketel echter en sprongen de witjes tegen de deksel, nu is de emmer een stuk lichter en van spartelen is geen enkele sprake. We hebben de visjes op voorhand al gedood met een flinke tik op de kop, want dat scheelt het meesjouwen van water. En juist dat water is zwaar! We hoeven dan ook niet af te spreken dat we om de beurt de emmer zullen tillen… Vier hengels worden opgetuigd, vier enkele dreggen gaan door de rugjes van onze dode vriendjes en even later plonzen vier drijvers strategisch op hun plek. Twee uur later kunnen we de balans opmaken. Zeven aanbeten, twee keer misgeslagen en dus vijf keer raak. Vijf mooie vissen tot 90 cm en allemaal perfect voor in de bek gehaakt. Dit is leuk. En omdat het zo leuk is, herhalen we de weken die volgen diverse malen deze tactiek. De ene keer loopt het hard, de andere keer wat minder, maar we komen steevast met stinkende handen thuis. We doen het goed! Toch knaagt er iets. Maar wat?

 

 

Eureka!

Het kwartje valt op de avond dat ik de deksel van het levend-aas-kratje schoon genoeg geregend vind en het afdroog. Op het moment dat ik het weer op het kratje wil plaatsen, zie ik de dozen met enkele haken en flitsen er flarden van de levend aassessies van 25 jaar geleden door mijn hoofd. Dat eeuwige gezeul met die aasketel. De eerste paar honderd meter ging het meestal wel goed, maar op een gegeven moment lieten we het ding gewoon staan. Degene die dan als eerste zijn voorn kwijt raakte, dat gebeurde geregeld, was dan altijd de haas om de ketel op te halen. Eureka! Ik weet wat er mis is en hang binnen een minuut aan de lijn met -Boudewijn. Ook hij geniet met volle teugen van onze sessies, maar net als ik denkt hij iets te missen. Ik weet wat het is en vertel het hem. De volgende dag zijn we vroeg op pad om te kijken of mijn theorie klopt. Zo simpel kan het dus zijn! In mijn beleving is snoeken een combinatie van zoeken, struinen, jagen en toeslaan. Hoewel de passieve variant die we eerder deden, best veel vis opleverde, past een mobiele visserij veel beter bij mij als het op snoeken aankomt. Net zoals je dus eigenlijk doet wanneer je op pad gaat met een doos kunstaas. Ik kom echter maar zelden snoekvissers tegen die met twee kunstaashengels tegelijkertijd vissen; daarvoor hebben we immers simpelweg niet genoeg handen. De verleiding om met twee hengels te vissen wanneer je met dood aas op pad gaat is groot. Het is wettelijk toegestaan en hoe meer drijvers in het water, des te meer kans toch? Nadat Boudewijn en ik zijn gaan struinen met slechts één hengel de man, zijn we meer gaan vangen. Dat strookt niet met de theorie dat je met twee hengels per persoon productiever bent, maar het valt eenvoudig uit te leggen. Vis je met twee doodaashengels dan ben je een groot deel van de tijd bezig met het opnieuw ingooien van die stokken.

 

 

Zeker wanneer er in windwakken wordt gevist, het woord ‘wind’ zegt het al, die waait! Die wind is je vriend als-ie uit de goede richting komt, maar vaak is dat nu juist  niet het geval. Tijdens de dril van een snoek ‘waait’ de andere drijver geregeld tegen de kant aan; daar kun je ook vis vangen, maar dat is ons in ieder geval nog maar amper overkomen. Die hengel is dus op dat moment niet productief. Met slechts één hengel ben je veel mobieler. En je hoeft je concentratie niet te verdelen en vist een heel stuk scherper op die manier. Vis je met twee hengels, dan is verkassen nooit echt een feestje. De boel komt in elkaar te zitten, de voorns vallen er af. En dus blijf je vaak wat langer op een plek hangen dan eigenlijk slim is. Met één hengel gaat het allemaal veel rapper. Een paar driftjes op verschillende afstanden van de kant en wegwezen! De kans dat je op een gegeven moment tegen een hotspot aanloopt, is aanzienlijk. Je gebruikt in feite je hengel als visvinder. Vang je er eentje? Dan zitten er meer! Dat wisten we al in de winter. Zelfs een misser stemt hoopvol en geeft voldoende aanleiding om nog nauwkeuriger een plek uit te ‘harken’.

 

 

Zoeken, vinden, drillen!

Februari 2013, het is zover! De rugzakjes zitten vol en allebei hebben we een baitcaster in de hand. We besluiten te starten op de plek waar we vorige week in een uur tijd vier aanbeten wisten te verzilveren, toen nog met vier hengels in totaal. Dat we daarna ruim anderhalf uur helemaal niets meer vingen, moet ook wel even gemeld worden. Dat het vervolgens te donker was om te verkassen, is ook wel noemenswaardig. Nu allebei één hengel dus. Na een kwartiertje zijn we het er over eens. Of ze zitten er niet, of ze hebben er geen zin in. Hoe dan ook, hier moeten we weg. In een half uur tijd racen we langs drie windwakken en vissen deze secuur af, helemaal niks! Dan maar de oude Opel in en gewoon een eind rijden, misschien vinden we wel wat. En we vinden wat! Ik parkeer de auto zowat op een paaltje als ik woest aan mijn stuur trek om eigenlijk te laat een parkeerhaven in te sturen. De reden hiervoor is dat Boudewijn opeens heel blij ‘KOLK!’ roept. Even later staan we naar een onooglijk slootje te kijken.  Ter hoogte van een duiker lijkt het wel of iemand een buisje Aspro-bruistabletten in het water heeft gegooid! Het water bulkt werkelijk van de witvis en in de paar minuten die we staan te kijken, zien we drie verschillende snoeken er vol in klappen! Om de beurt laten we een drijver zakken; nu hebben we zelfs aan één hengel met z’n tweeën genoeg! Het is bizar, we vangen in een half uur tijd acht vissen, waaronder twee meters. Als het over is, keren we terug naar de plek waar we begonnen zijn die dag. De vissen zijn hier nu ook los en we vangen ons scheel, drie keer hebben we een -double hookup, fantastisch!

 

 

Aanrader

Doodazen is echt superleuk - het doet eigenlijk niet onder voor het levend aasvissen dat we vroeger deden. Met één hengel op pad en gewoon keihard genieten van het spektakel van een wegknallende drijver. Misschien is doodazen nog wel leuker dan wat we vroeger deden. Het scheelt in ieder geval een hoop gesjouw met die malle aasketel!

 

Aasvis scoren

Met mijn vismaat Boudewijn ga ik eerst een emmer witjes tikken. Dat gaat in de koude jaargetijden betrekkelijk eenvoudig;  de voorntjes zitten dan lekker op elkaar en als je de school eenmaal gevonden hebt dan is die emmer binnen no-time vol. De wet staat toe dat je blankvoorntjes, kolbleitjes en brasempies – soorten die geen wettelijke bescherming genieten en waarvoor ook geen minimummaat geldt – levend bij je hebt, zolang het doel is om ze op humane wijze te doden en vervolgens pas als aas te gebruiken. Die enkele keer dat het niet lukt om ze zelf te vangen, dan hebben we altijd nog wat sardines in de diepvries die we via internet besteld hebben; die doen het net zo goed! (www.doodaas.nl)

 


Reactie plaatsen

 

Uw reactie is meer dan welkom en zal bij goedkeuring door de redactie geplaatst worden.

 

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties geplaatst.